In de kantine van mijn school verkopen ze de meest uiteenlopende lekkernijen. Van tosti’s tot chinees, van pizza tot een halve meloen in een fruitshake. Het kost wat, maar dan heb je ook wat en dat is wel nodig met duizenden studenten en medewerkers. Sinds enige jaren hebben we, naast de warme maaltijdenhoek, een ‘halalcounter’ met een speciaal ingehuurde halalman. Een unicum.
Er is enorm veel gedoe geweest over dat plekje in de kantine omdat een groep studenten fel tegen zo’n halal vleesshop was en is. Het type Wakkerdier zullen we maar zeggen. Maar toch wordt het hoekje halal in de kantine getolereerd. Ook door mij, want ik haal iedere vrijdag mijn lunch in die grote kantine. Ik loop dan, zonder na te denken, de halalman voorbij om mijn wekelijks broodje kipfilet een stukje verderop te scoren. Tot ik een aantal weken terug besloot eens te observeren wat er nu besteld wordt bij die shop. Ik probeerde me tijdens het observeren meer voor te stellen van de smaak van halal vlees dan ik proef bij de turk als ik na het stappen een Turkse pizza met vlees eet. Maar terwijl mijn smaakpapillen de smaak van Turkse pizza reproduceerden, constateerde ik iets vreemds. Ik zag nauwelijks halalvlees voorbijkomen, maar voornamelijk bakjes .... patat!!
Nieuwsgierig als ik ben, besloot ik eens een patatje halal te bestellen bij de halalman. Uiteraard in de verwachting dat de patat anders zou smaken - hoewel aardappels volgens mij niet ritueel kunnen worden geslacht. Vreemd. Ik proefde niks anders dan aardappel, zout en vet. Een echte frietsmaak. Niks halaligs zoals de smaak van vlees op Turkse pizza. Gewoon oer-Hollandse namaak Belgische frieten. Toen ik ernaar vroeg bij de eerstvolgende islamitische patatbesteller, gaf hij het antwoord: ‘Waarom koop je brood bij de Hollandse bakker en niet bij de turk, als je niet eens weet of het brood bij de turk anders smaakt?’
En daar kreeg ik het antwoord op mijn patatje halal-verbazing: het gaat niet om de smaak van de patat of de wijze waarop de aardappel is geschild, maar om het feit dat we allemaal gewoontedieren zijn en de eigen kudde volgen. Hij zijn patatje halal bij de halalman, ik mijn brood bij de Hollandse bakker.
dinsdag 7 februari 2012
maandag 16 januari 2012
Aanmaaklimonade
Ik ben dagelijks als eerste aanwezig op de 14e etage van het kantoor waar ik werk. Dat betekent dat ik de lichten aandoe, als eerste de printer gebruik en als eerste lekker mijn plas in een schoongemaakte pot mag doen. Maar wat ik niet doe, is koffiedrinken. Ik lust geen koffie en ben daarmee volgens collega’s niet toe aan een kantoorbaan.
Koffie moet je leren drinken, zeiden mijn ouders altijd. Het is net als met wijn of bier; eerst vind je het niks, maar je gaat het steeds lekkerder vinden. Dat dit volgens mij meer te maken heeft met de rare gewoontes van ons brein dan met smaak, stond daar, uiteraard, buiten. Wat wel te concluderen valt, is dat zowel koffie als drank verschillende doeleinden hebben. Het gaat namelijk niet zozeer om de smaak van de koffie, maar meer om dat wat er omheen gaande is.
Ten eerste is er de goedemorgenbak, die dient als legaal excuus om de mailbox nog even dicht te laten. Hoewel sommigen onder ons die eerste bak prut als oprecht ‘socializen’ zien, komt zo’n gesprek in mijn beleving nooit verder dan het standaard ‘hoe-gaat-het-goed-verhaal’ dat nauwelijks oprecht is, of stokt het bij een mislukte analyse van een van de zestien miljoen bondscoaches. Ten tweede zijn er de wat meer interessante bakkies wat verder op de dag, want daar wordt gezegd wat men écht vindt van die vervelende houding van die stinkende collega. Ten slotte, en misschien is dat wel de leukste, wordt er tijdens het tappen van koffie voornamelijk geklaagd over de kwaliteit van de… koffie.
Omdat het antwoord op de vraag waarom ze het dan drinken, was ‘omdat er niets anders te krijgen is’, besloot ik om voor algemeen gebruik eens een bus limonade mee te nemen. In de eerste de beste vergadering die ik binnenkwam met mijn glaasje limonade, trok men luidkeels de conclusie dat ‘limonade toch wel heel erg kinderlijk was hoor, Hester’. Maar naarmate de vergadering vorderde zag ik ze loeren naar mijn fijne glaasje limonade terwijl zij met het laatste slokje koffieprut hun smaakpapillen terroriseerden. En aan het einde van de week? Bleek ineens de bus limonade leeg.
Koffie moet je leren drinken, zeiden mijn ouders altijd. Het is net als met wijn of bier; eerst vind je het niks, maar je gaat het steeds lekkerder vinden. Dat dit volgens mij meer te maken heeft met de rare gewoontes van ons brein dan met smaak, stond daar, uiteraard, buiten. Wat wel te concluderen valt, is dat zowel koffie als drank verschillende doeleinden hebben. Het gaat namelijk niet zozeer om de smaak van de koffie, maar meer om dat wat er omheen gaande is.
Ten eerste is er de goedemorgenbak, die dient als legaal excuus om de mailbox nog even dicht te laten. Hoewel sommigen onder ons die eerste bak prut als oprecht ‘socializen’ zien, komt zo’n gesprek in mijn beleving nooit verder dan het standaard ‘hoe-gaat-het-goed-verhaal’ dat nauwelijks oprecht is, of stokt het bij een mislukte analyse van een van de zestien miljoen bondscoaches. Ten tweede zijn er de wat meer interessante bakkies wat verder op de dag, want daar wordt gezegd wat men écht vindt van die vervelende houding van die stinkende collega. Ten slotte, en misschien is dat wel de leukste, wordt er tijdens het tappen van koffie voornamelijk geklaagd over de kwaliteit van de… koffie.
Omdat het antwoord op de vraag waarom ze het dan drinken, was ‘omdat er niets anders te krijgen is’, besloot ik om voor algemeen gebruik eens een bus limonade mee te nemen. In de eerste de beste vergadering die ik binnenkwam met mijn glaasje limonade, trok men luidkeels de conclusie dat ‘limonade toch wel heel erg kinderlijk was hoor, Hester’. Maar naarmate de vergadering vorderde zag ik ze loeren naar mijn fijne glaasje limonade terwijl zij met het laatste slokje koffieprut hun smaakpapillen terroriseerden. En aan het einde van de week? Bleek ineens de bus limonade leeg.
maandag 19 december 2011
Kerstpakket
PING.
“Ha hallo! Ook de doos opgehaald, zie ik?”
“Ja, je weet nooit wat erin zit hè, maar het staat er toch dus ik dacht: ik haal hem op.”
“Mhm, ik ook. Ik hoop op een betere oogst dan vorig jaar.”
“Inderdaad. Heb je dat toen gezien, de week na kerst stonden er honderden fonduepannetjes te koop op marktplaats haha.”
“Echt waar?! Jeeetje! Maar ja, dat is ook logisch; wie bedenkt nu weer een fonduepan voor een kerstpakket?! Pf. ”
“Ach, aan de kledingmaten van de directieleden te zien, zal het wel ergens van boven komen. Maar heb jij hem nog staan dan?”
“Volgens mij staat ‘ie ergens op zolder te verstoffen onder het motto ‘misschien heb ik hem ooit nodig’. Maar ik heb hem nooit aangeraakt, moet ik eerlijk zeggen.. Misschien dat ik hem maar naar de kringloop breng.”
“Nou, zal ik eens wat zeggen. Had ik dat ding net aan een vriendin gegeven voor haar verjaardag, als gekkigheid, komen mijn ouders ineens met het plan om te fonduen: had ik geen pan!”
“Neee! Ja, zo zul je maar net zien! Heb je het, gebruik je het niet en heb je het niet, blijk je hem nodig te hebben.”
“Zo is het maar net.”
“Toch wel leuk zo’n kerstpakket.”
“Ja.”
PING.
“Ah, mijn etage. Nou, fijne feestdagen en veel plezier met je kerstpakket hè, hahaha!”
“Haha, ja, jij ook! Dag hè!”
“Ha hallo! Ook de doos opgehaald, zie ik?”
“Ja, je weet nooit wat erin zit hè, maar het staat er toch dus ik dacht: ik haal hem op.”
“Mhm, ik ook. Ik hoop op een betere oogst dan vorig jaar.”
“Inderdaad. Heb je dat toen gezien, de week na kerst stonden er honderden fonduepannetjes te koop op marktplaats haha.”
“Echt waar?! Jeeetje! Maar ja, dat is ook logisch; wie bedenkt nu weer een fonduepan voor een kerstpakket?! Pf. ”
“Ach, aan de kledingmaten van de directieleden te zien, zal het wel ergens van boven komen. Maar heb jij hem nog staan dan?”
“Volgens mij staat ‘ie ergens op zolder te verstoffen onder het motto ‘misschien heb ik hem ooit nodig’. Maar ik heb hem nooit aangeraakt, moet ik eerlijk zeggen.. Misschien dat ik hem maar naar de kringloop breng.”
“Nou, zal ik eens wat zeggen. Had ik dat ding net aan een vriendin gegeven voor haar verjaardag, als gekkigheid, komen mijn ouders ineens met het plan om te fonduen: had ik geen pan!”
“Neee! Ja, zo zul je maar net zien! Heb je het, gebruik je het niet en heb je het niet, blijk je hem nodig te hebben.”
“Zo is het maar net.”
“Toch wel leuk zo’n kerstpakket.”
“Ja.”
PING.
“Ah, mijn etage. Nou, fijne feestdagen en veel plezier met je kerstpakket hè, hahaha!”
“Haha, ja, jij ook! Dag hè!”
dinsdag 15 november 2011
Halleluja
Pas moest ik afscheid nemen van mijn oude barrel. Met pijn in mijn hart zag ik dat tape mijn spatbord niet meer bij elkaar hield en mijn fiets van roest eerdaags écht uit elkaar zou vallen. Een nieuwe tweedehands was noodzaak. Is er iets erger voor een echte student, dan rond te moeten rijden op een nieuwe fiets? Je moet hem fatsoenlijk op slot zetten, hij maakt geen herrie en vertoont geen schade die alleen kan zijn opgelopen na een meesterlijke stapavond.
Nee, dan het ergste: licht. Jaren was ik op mijn hoede voor de gevreesde Oom Agent, want licht had ik uiteraard niet. Op elke tegemoetkomende auto zag ik de schaduw van uitstaande zwaailichten en bij elk geluid van een motor zat ik in de houding om schijnheilig van mijn fiets te springen om vervolgens mijn lieve glimlach te misbruiken. Ik ben maar één keer beboet in al die jaren: door een vrouw. Alle andere keren dat Oom Agent me staande hield, kwam ik er met een knipoog en een ‘vingertje’ vanaf.
Tijdens mijn eerste nachtelijke fietstocht was ik de straat nog niet uit of een man in oranje hesje hield me staande. Nee hé. Angstig hield ik mijn hand voor mijn licht: hij deed het! De man in het hesje begon te lachen: ‘Ja, mevrouwtje, wij van de buurtpreventie belonen samen met de politie ieder die licht heeft. U kunt nu een prijs winnen!’
Te zot voor woorden. Ik word dus de eerste de beste keer dat ik me aan de regeltjes houd, beloond en ben in járen tijd maar één keer beboet omdat ik me níét aan die regeltjes hield. Tenzij Oom Agent zich twintig meter verderop laf achter een muurtje zou verschansen om iedereen die geen licht heeft daar te pakken (wat niet zo was), zou ik haast willen zeggen: doe ’s normaal man!
Maar ach, nu het misbruiken van mijn glimlach en het vingertje van Oom Agent zijn vervangen door die vreselijk bureaucratische ‘gele kaart’, maakt het me ook niet meer uit: ik heb licht, HA! En ik word er nog voor beloond ook.
Nee, dan het ergste: licht. Jaren was ik op mijn hoede voor de gevreesde Oom Agent, want licht had ik uiteraard niet. Op elke tegemoetkomende auto zag ik de schaduw van uitstaande zwaailichten en bij elk geluid van een motor zat ik in de houding om schijnheilig van mijn fiets te springen om vervolgens mijn lieve glimlach te misbruiken. Ik ben maar één keer beboet in al die jaren: door een vrouw. Alle andere keren dat Oom Agent me staande hield, kwam ik er met een knipoog en een ‘vingertje’ vanaf.
Tijdens mijn eerste nachtelijke fietstocht was ik de straat nog niet uit of een man in oranje hesje hield me staande. Nee hé. Angstig hield ik mijn hand voor mijn licht: hij deed het! De man in het hesje begon te lachen: ‘Ja, mevrouwtje, wij van de buurtpreventie belonen samen met de politie ieder die licht heeft. U kunt nu een prijs winnen!’
Te zot voor woorden. Ik word dus de eerste de beste keer dat ik me aan de regeltjes houd, beloond en ben in járen tijd maar één keer beboet omdat ik me níét aan die regeltjes hield. Tenzij Oom Agent zich twintig meter verderop laf achter een muurtje zou verschansen om iedereen die geen licht heeft daar te pakken (wat niet zo was), zou ik haast willen zeggen: doe ’s normaal man!
Maar ach, nu het misbruiken van mijn glimlach en het vingertje van Oom Agent zijn vervangen door die vreselijk bureaucratische ‘gele kaart’, maakt het me ook niet meer uit: ik heb licht, HA! En ik word er nog voor beloond ook.
donderdag 19 mei 2011
Ouderensoos
Iedere werkdag fiets ik erlangs: een groepje bejaarden in een armzalig gebouw aan een veel te drukke weg. Een bakkie koffie in de hand dat zo zwart is dat het vast even oud smaakt als zij jaren tellen. Allen staren ze richting de uitgang waar op de vervallen gevel een verkleurd bordje met ‘ouderensoos bejaardentehuis’ hangt.
Oud worden. het is de wens die bijna ieder van ons koestert. Het liefst ook nog gezond. Als we aan ouder worden denken, creëren we vaak een droombeeld, maar dromen zijn bedrog niet waar? Met je lief in een bejaardenhuis: hij een beetje kaarten en jij lekker theeleuten. Jammer genoeg kunnen jullie van je AOW-tje maar één dag ‘sport en spel’ betalen en mogen jullie van de zuster niet meedoen met de wekelijkse competitie. Heerlijk, elke dag rustig op kunnen staan, een lekker ontbijtje en uitgebreid gewassen en aangekleed worden. Maar helaas, de zuster krijgt maar één minuut om je uit bed te schoppen, dat ontbijtje is een plakje harde ontbijtkoek dat al een week op het aanrecht ligt en als de douche eindelijk warm is, word je er al weer onder vandaan getrokken. Jullie hebben een ruime kamer van drie bij drie waar net dat bed met ongewassen lakens in past, maar met uitzicht op de begraafplaats verderop. En de kleinkinderen komen wekelijks op bezoek omdat ze dat leuk vinden en zeker niet omdat je ze iedere keer dat briefje van vijf toestopt.
Bejaarden- en verzorgingstehuizen zijn fabrieken geworden: gemaakt op doorstroming met als eindpunt een kist twee meter onder de grond. Overal moet voor worden betaald en alles wordt berekend. Heb je in je broek gepoept? Dan betaal je voor extra billendoekjes. Ligt er beschimmeld brood in de kast? Dan betaal je voor het open en dichtdoen van de prullenbak. Het lijkt erop dat je beter rond je 70ste tussen zes planken kunt liggen dan dat je tot je 90ste als een incontinente bejaarde in een veel te klein hok wordt gestopt.
Nu begrijp ik wel dat die ouderen zo naar de uitgang staren: als ze konden, zouden ze gillend wegrennen.
dinsdag 3 mei 2011
Leve de dood!
" I mourn the loss of thousands of precious lives, but I will not rejoice in the death of one, not even an enemy. ” – Martin Luther King Jr.
Hij is dood. Geen speech à la Bush als ‘ladies and gentlemen: we got him’, neen, Obama deed het met ingetogenheid en kletste het als een ordinaire mededeling de microfoon in. Ondanks die ingetogenheid gaat heel de wereld over de kop door het nieuws. De man, de duivel, het monster achter terrorisme is dood – en the Americanshebben het geflikt. De man die ervoor zorgde dat menig westerling zijn Arabische buurman met baard ging wantrouwen, is niet meer.
Kranten koppen dat de kop van de slang eraf is, nieuwssites zijn overbelast en Osama is weer gesprek van de dag. Het was allemaal te begrijpen. Tot ik hoorde dat ‘duizenden Amerikanen’ de straat op waren gegaan om Osama’s dood te vieren. Víeren.
Ik hoorde pas een aantal Amerikanen praten over de cartoonrellen in de Arabische wereld, waarop ze de Arabische cultuur bestempelden als ‘achterlijk’. Tja, ze hebben ook gelijk. Je gaat toch niet omdat iemand een cartoon heeft getekend de vlag van het land waar hij woont verbranden? Of omdat iemand in Amerika zijn mening uit door een heilig boekje te verbranden, met heel de Arabische wereld de straat op om de dood van die persoon en eigenlijk heel zijn volk te schreeuwen?
Toch grappig dat diezelfde Amerikanen die de Arabische cultuur bestempelen als ‘achterlijk’, zelf de straat op gaan om te vieren dat iemand is vermoord. Op tv lijkt het of ze de wereldcup hebben gewonnen. Alsof ze nu in één klap alle honger en oorlog de wereld uit hebben geholpen. Het is wat de dood van één enkele man teweegbrengt. Maar denkt niemand dan na? Hoe erg Osama’s uitspraken en zijn verschrikkelijke daden ook mogen zijn geweest – vieren dat iemand keihard en doelbewust vermoord is? Blij zijn dat iemand, een méns, koelbloedig is doodgeschoten? Dát is achterlijk. Maar ach, hij is niet meer: de Amerikaanse heroes hebben het brein achter moslimterroristen door z’n kop geschoten en daarmee alle problemen op de wereld opgelost. Leve de dood!
Hij is dood. Geen speech à la Bush als ‘ladies and gentlemen: we got him’, neen, Obama deed het met ingetogenheid en kletste het als een ordinaire mededeling de microfoon in. Ondanks die ingetogenheid gaat heel de wereld over de kop door het nieuws. De man, de duivel, het monster achter terrorisme is dood – en the Americanshebben het geflikt. De man die ervoor zorgde dat menig westerling zijn Arabische buurman met baard ging wantrouwen, is niet meer.
Kranten koppen dat de kop van de slang eraf is, nieuwssites zijn overbelast en Osama is weer gesprek van de dag. Het was allemaal te begrijpen. Tot ik hoorde dat ‘duizenden Amerikanen’ de straat op waren gegaan om Osama’s dood te vieren. Víeren.
Ik hoorde pas een aantal Amerikanen praten over de cartoonrellen in de Arabische wereld, waarop ze de Arabische cultuur bestempelden als ‘achterlijk’. Tja, ze hebben ook gelijk. Je gaat toch niet omdat iemand een cartoon heeft getekend de vlag van het land waar hij woont verbranden? Of omdat iemand in Amerika zijn mening uit door een heilig boekje te verbranden, met heel de Arabische wereld de straat op om de dood van die persoon en eigenlijk heel zijn volk te schreeuwen?
Toch grappig dat diezelfde Amerikanen die de Arabische cultuur bestempelen als ‘achterlijk’, zelf de straat op gaan om te vieren dat iemand is vermoord. Op tv lijkt het of ze de wereldcup hebben gewonnen. Alsof ze nu in één klap alle honger en oorlog de wereld uit hebben geholpen. Het is wat de dood van één enkele man teweegbrengt. Maar denkt niemand dan na? Hoe erg Osama’s uitspraken en zijn verschrikkelijke daden ook mogen zijn geweest – vieren dat iemand keihard en doelbewust vermoord is? Blij zijn dat iemand, een méns, koelbloedig is doodgeschoten? Dát is achterlijk. Maar ach, hij is niet meer: de Amerikaanse heroes hebben het brein achter moslimterroristen door z’n kop geschoten en daarmee alle problemen op de wereld opgelost. Leve de dood!
Abonneren op:
Posts (Atom)